Mijn kind heeft faalangst… Wat nu?

Faalangst, oftewel, angst om te falen. Meestal door iets wat een kind zichzelf heeft opgelegd. Heel lastig, maar ook wat aan te doen!

Laat ik beginnen met dat faalangst ook iets positiefs kan zijn. Een beetje gezonde spanning en graag goed willen presteren; daar is helemaal niks mis mee. Sterker nog, zo ga je juist stappen maken! Draai hem maar eens om: het niet uitmaken hoe je presteert en nooit enige spanning voelen… hoe ver kom je daar mee?

Een beetje faalangst is dus oké, maar zodra een kind té gespannen wordt en er last van krijgt (dit kan op allerlei manieren) is het verstandig om daar wat mee te doen.
Maar wanneer is het té? Bij o.a. slaapproblemen, geen kritiek meer kunnen ontvangen, extreem perfectionistisch zijn, buikpijn- en/of hoofdpijnklachten, situaties vermijden en school vermijden adviseer ik om er wat mee te doen.

Wat kan je doen? Stimuleer het zelfvertrouwen! Zie de volgende tips:

1.       Ik kan het NOG niet!
Voeg het woordje ‘nog’ toe wanneer een kind zegt dat hij/zij het niet kan.

2.       Stimuleren in het zelf bedenken van een oplossing.
Het is soms erg verleidelijk om je kind te helpen wanneer hij/zij een probleem ervaart. Probeer echter te stimuleren dat ze zelf met een oplossing komen. Daar mag je natuurlijk wel onderdeel van zijn! Bijvoorbeeld: ‘Hoe lukte het jou de vorige keer?’ of ‘Hoe kan ik je helpen?’. 

3.       Nadenktijd.

Spring niet te snel in! Soms zeggen kinderen dat het niet lukt of dat ze het niet kunnen, maar geef ze nog even de tijd om ermee te stoeien.

4.       Focus op de dingen die wel zijn gelukt.

‘Hoe lukte het jou de vorige keer wel?’ Of focus op een ander moment waarop iets eerst nog niet lukte, maar uiteindelijk wel. ‘Wat maakte dat het je toen wel is gelukt?’

5.       Helpende gedachten.

Je kan je hersenen écht voor de gek houden, en van alles laten geloven, door die helpende gedachten. Laat het kind zelf helpende gedachten bedenken. Stel een kind roept: ‘Het lukt me niet!’ Jouw reactie kan dan zijn: ‘Dat is een negatieve, rode, gedachte. Hoe kunnen we die gedachte positief, groen, maken?’ Je mag daar natuurlijk best bij op weg helpen. Download hier de poster met helpende gedachten!

6.       Deel jouw vertrouwen in jouw kind!

Faalangst is, zoals het woord het al zegt, een angst. Zodra je als ouder situaties samen met jouw kind gaan vermijden, met de intentie om te helpen, bevestig je juist de angst. Een voorbeeld:

 Hannah is bang voor honden. Ze loopt samen met haar moeder over de stoep en ze zien in de verte een man met een hond aankomen. Hannah wordt bang en moeder neemt haar mee naar de andere kant van de straat, zodat ze niet langs de hond hoeven te lopen.

 Op dat moment bevestigt moeder, ondanks haar goede intenties, de angst. Hannah denkt: zie je wel dat ik bang moet zijn, mama neemt mij mee naar de overkant. Probeer dus, wanneer je zeker weet dat de angst niet gegrond is, niet mee te gaan in de angst. Blijf gewoon op die stoep lopen en spreek je vertrouwen uit naar je kind: ‘Ik weet dat je dit spannend vind, dat begrijp ik. Ik heb er alle vertrouwen in dat jij rustig langs de hond heen kan lopen.’ Of bij faalangst: ‘Ik heb er alle vertrouwen in dat jij je best hebt gedaan. Meer kan je niet doen’ of ‘Ik heb er alle vertrouwen in dat jij dit uiteindelijk gaat leren’.

En strooien met die complimenten! Geef complimenten gericht op het proces, niet op het resultaat. Laat het kind zichzelf ook een complimentje geven of vertellen waar hij/zij trots op is.

Succes!

 

Volgende
Volgende

Praten over de dood